Brandwerend (EN 1634-1) Brandwerend (EN 1634-1)

De omstandigheden van een brand

Een brand is een groot ongecontroleerd vuur die zich al dan niet snel uitbreidt en meestal aanzienlijke schade aanricht. Het scenario bestaat uit elementen en onvoorziene gebeurtenissen en de kenmerken variëren afhankelijk van de plaats, de atmosferische omstandigheden, de brandbare materiële elementen, de middelen die zijn aangewend om de verspreiding ervan te vertragen en vele andere parameters.

Er zijn echter altijd 3 elementen nodig om een brand te doen ontstaan, die samen de zogenaamde ‘branddriehoek’ vormen:

  • een brandstof;
  • een vuur- of warmtebron;
  • zuurstof.
Branddriehoek

De ontwikkelingsfasen van een brand

Algemeen wordt aangenomen dat de bovenstaande curve de ontwikkeling van een brand weergeeft. Tijdens de ontwikkelingsfase ondergaat de curve een relatief langzame temperatuurstijging, tot aan de grote gebeurtenis die gekend is als de flashover of algemene ontbranding.

Dat fenomeen treedt op als de temperatuur 500 tot 600°C bereikt, d.w.z. wanneer de gaslagen die door het vuur worden opgewekt zelf ontbranden, waardoor alle brandstoffen die in het vuur aanwezig zijn, ontbranden. De brand bereikt dan zijn volle intensiteit en is tot ontwikkeling gekomen.

 

De ontwikkelingsfasen van een brand

De testvoorwaarden

De testomstandigheden proberen de werkelijkheid na te bootsen en de ontwikkelingsfase te verduidelijken, om de geteste elementen tijdens de meest intense fase van de brand te kunnen aanpakken. Om de testvoorwaarden te kaderen en te definiëren, zijn nominale temperatuurstijgingscurven gedefinieerd, waarbij een curve wordt gevolgd die vergelijkbaar is met die van de flashover. Bij ‘klassieke’ brandtests worden de temperatuurwaarden gedefinieerd door de ISO 834-curve.

Die curve met een zeer snelle temperatuurstijging maakt het al mogelijk om meer dan 550°C te bereiken na 5 testminuten.

De deuren worden aan beide zijden getest, d.w.z. met het vuur aan de sluit- en openingszijde. Met andere woorden, de test wordt uitgevoerd met de scharnieren IN de brand tijdens een eerste test en BUITEN de brand tijdens de tweede test. De duur van de test wordt bepaald door de weerstandsklasse en varieert van 15 tot 240 minuten.

Of een brandwerendheidstest succesvol is, hangt af van verschillende categorieën criteria: de dichtheid (E), de warmtestraling (W) en de isolatie (I).

Temperatuurcurven

 

Vlamdichtheid

De vlamdichtheid (E) wordt bepaald door 3 meetcriteria:

Er worden watten zeer dicht bij de deur gehouden die niet in brand mogen vliegen.
Er mag zich geen ononderbroken vlam vormen gedurende meer dan 10 seconden aan de beschermde zijde van de deur.
Door de deur mag zich geen gat van meer dan 25 mm doorsnede vormen en geen enkele opening van meer dan 150 mm op een hoogte van 6 mm.

Thermische isolatie

De thermische isolatie (I) is een criterium dat de temperatuurstijging van de deur aan de beschermde zijde meet.

Om die temperatuurstijging te meten, worden thermokoppels op verschillende standaardlocaties op de deur aangebracht om temperatuurstijgingen te meten. Er wordt ook een mobiel thermokoppel gebruikt in aanvulling op de vaste thermokoppels voor metingen van punten die de toegestane temperaturen kunnen overschrijden.

Warmtestraling

De warmtestraling (W) is een stralingsfluxmeting aan de beveiligde zijde op 1 m van het te meten element die niet meer dan 15 kW/m2 mag bedragen.

Dit criterium (W) wordt nooit alleen aangegeven, maar altijd in aanwezigheid van het dichtheidscriterium (E).

Zo legt Nederland op zijn grondgebied zogenaamde EW-deuren op, zoals EW 30, EW 60, EW 120 enz.